Er zijn van die wegen waar je niet zomaar overheen rijdt — wegen die je bijblijven. De Franse routes nationales zijn zo’n categorie. Breed, soms wat versleten, met platanen aan weerszijden en een dorpje om de zoveel kilometer dat er al honderd jaar hetzelfde uitziet. Wij van TomTomClub rijden er al jaren op, en eerlijk gezegd begrijpen we niet waarom iedereen altijd meteen de autosnelweg pakt. Kom, we leggen het uit.
Wat maakt die oude nationale wegen zo bijzonder?
Ken je dat gevoel? Je hebt net de afslag naar de snelweg gemist — of je hebt hem bewust laten gaan — en ineens rijd je door een landschap dat zich langzaam ontvouwt in plaats van voorbij te flitsen. Geen vangrails. Geen vrachtwagens die je in de file drukken. Gewoon asfalt, bomen, en af en toe een bord met een plaatsnaam die je niet kunt uitspreken maar toch wilt fotograferen.
De routes nationales in Frankrijk hebben een lange geschiedenis. Ze zijn ooit aangelegd als de ruggengraat van het Franse wegennet, lang voordat de autoroutes er waren. Veel ervan volgen de oude postroutes of zelfs Romeinse wegen — en dat merk je. Niet alleen aan de staat van het wegdek soms, maar ook aan de manier waarop ze door dorpscentra lopen in plaats van eromheen. Je rijdt door het leven, niet erlangs.
Wat ons elke keer weer verrast, is de variatie. De N7 — de legendarische Route Bleue richting de Côte d’Azur — voelt heel anders aan dan de N20 die je via de Pyreneeën richting Spanje stuurt, of de N10 die Bordeaux verbindt met de Baskische grens. Elk traject heeft zijn eigen ritme, zijn eigen karakter. En dat karakter leer je pas kennen als je er echt op rijdt, met de ramen open en de bijrijder met de kaart op schoot.
De N7: een legende op vier wielen
Als er één weg is die ons hart sneller laat kloppen, is het de N7. En we zijn niet de enigen. Deze route, die van Parijs naar Menton loopt langs de oostkust van de Middellandse Zee, werd decennialang beschouwd als de vakantieweg van Frankrijk. In de jaren vijftig en zestig trokken hele families er in de zomer op uit, met overbeladen auto’s en kinderen op de achterbank. Charles Trenet schreef er een chanson over. Dat zegt genoeg.
Wil je meer weten over de geschiedenis van deze route en hoe hij zijn bijnaam Route Bleue kreeg? Dan is het artikel op Wikipedia over de N7 een fijn startpunt — het geeft je een goed beeld van de culturele en historische betekenis van deze weg voordat je er zelf op stapt.
Wij hebben de N7 een keer gereden van Lyon naar Nice, en dat was drie dagen rijden met opzet. Drie dagen. Niet omdat het niet sneller kon — de A7 had ons er in een middag doorheen geblazen — maar omdat we er niet doorheen wilden blazen. We stopten in Valence voor een tarte aux noix. We dwaalden door Montélimar en kwamen met nougat naar buiten. We reden door de Ardèche-heuvels terwijl de zon laag stond en alles goudkleurig werd. Verkeersdrukte? Die was er soms, zeker door de dorpen. Maar zelfs dat hoort erbij. Je bent er middenin, niet erbuiten.
Wat je ook meeneemt op de N7: geduld. Een tractor die een zijweg oprijdt. Een markt die het centrum van een dorp blokkeert. Een stoet brommers die ergens naartoe gaat waar jij ook wel naartoe zou willen. Onze bijrijder mopperde de eerste keer. De tweede keer glimlachte ze al. De derde keer stapte ze zelf uit om te kijken wat er te koop was.
Zo plan je je eigen route nationale-avontuur
Oké, je bent overtuigd. Of je bent al langer overtuigd en je zoekt gewoon een reden om het eindelijk te doen. Waar ga jij naartoe? Dat is de eerste vraag — en het antwoord hoeft niet meteen perfect te zijn.
Hier zijn een paar dingen die wij altijd meenemen in onze planning:
- Kies een doel, geen deadline. De grote fout die mensen maken is denken dat ze een route nationale rijden naar een bestemming. Dat klopt niet. Je rijdt op de route. De bestemming is een bijzaak.
- Plan overnachtingen los. Boek niet alles vooruit. Laat ruimte voor het dorpje dat je niet op de kaart had staan maar dat een bord had met “chambres d’hôtes” en een geranium in het raam.
- Gebruik een fysieke kaart. Serieus. Niet als vervanging van je navigatie, maar ernaast. Een kaart laat je zien wat er naast de route ligt. Dat is waar de omwegen beginnen. En de beste omwegen zijn nooit gepland.
- Rij niet vóór tienen en niet na tienen. De ochtend is rustig, het licht is mooi, en de bakkerijen zijn open. ‘s Avonds zijn de dorpspleinen levendig en de restaurants gevuld. Daartussenin: rijden.
- Laat de snelweg voor wat ie is. Ja, ook als het tol kost om hem te vermijden. De paar euro die je bespaart door de autoroute te nemen, verdien je tien keer terug in beleving op de nationale weg.
Een concreet voorbeeld van een route die wij iedereen aanraden als eerste kennismaking: de N20 van Brive-la-Gaillarde naar Cahors. Dat is zo’n honderd kilometer, en je rijdt door de Dordogne-vallei met zijn kalksteenrotsen, zijn kastelen en zijn kleine marktstadjes. Je kunt het in twee uur doen. Doe het in een dag. Neem een picknick mee. Stop bij een uitzichtpunt. Stap uit. Adem in.
De N88 van Le Puy-en-Velay naar Rodez is een ander pareltje — minder bekend, maar des te mooier. Heuvelachtig, groen, met af en toe een dorp dat eruitziet alsof de tijd er ergens in de jaren zeventig is blijven steken. Niet als kritiek bedoeld. Juist als compliment.
En dan is er nog de N116 in de Pyreneeën, richting de Col de la Perche. Die rijden we liever niet in de winter, maar in de zomer is het een van de mooiste wegen die we kennen. Smalle bochten, vergezichten, en de bijrijder die af en toe zacht “wauw” zegt. Dat is genoeg.
Tot slot
We zeggen het vaker, maar het blijft waar: de beste reizen zijn de reizen waarbij je niet weet wat je aantreft. De routes nationales zijn daar het bewijs van. Ze zijn niet perfect. Ze zijn soms traag, soms vol, soms onverwacht afgesloten omdat er een markt is of een processie of gewoon een koe die de verkeerde afslag heeft genomen.
Maar ze zijn echt. En dat is precies waarom wij ze blijven rijden.
Dus pak de kaart. Zeg tegen je bijrijder dat jullie de snelweg overslaan. En rij. Wij doen het ook.